Louis Malle presenteerde met Ascenseur pour l’échafaud in 1958 een filmwerk van ongekende klasse. Gebaseerd op de misdaadroman van Noël Calef verhaalt Malle het relaas van ex-paratrooper Julien Tavernier (Ronet) en zijn maîtresse Florence (Moreau), die een ingenieus plan bedenken om de man van Florence, een steenrijke industrieel die ook de baas is van Julien, te vermoorden. Ze laten de moord op een zelfmoord lijken. De moord verloopt volgens plan totdat de voormalige soldaat iets vergeet mee te nemen wat zijn aanwezigheid kan verraden. Hij moet terug het gebouw in maar als de conciërge de stroom afsluit voor de nacht komt Julien vast te zitten in de lift van het bedrijf en kan geen kant op. Daardoor is hij niet op tijd voor de afgesproken ontmoeting met Florence, die zich natuurlijk ernstig zorgen maakt. Tot overmaat van ramp stelen de twee tieners Louis (Poujouly) en Veronique (Bertin) dan ook nog eens de sportwagen van Julien en schieten bij een motel een Duitse toerist neer. En dan leiden de bewijzen allemaal in de richting van één man…Julien Tavernier.
Wanneer we de films van Louis Malle op een rijtje zetten zien we nog eens het bijzonder schone oeuvre dat hij heeft nagelaten. Met films als Ascenseur pour l’échafaud, Les Amants (1958), Vie privée (1962), Viva María! (1965), Humain, trop humain (1974), Atlantic City (1980), Au revoir les Enfants (1987), Damage (1992) en zijn zwanenzang Vanya on 42nd Street (1994) heeft hij een heel eigen plaats verworven in de filmgeschiedenis. Zijn werk getuigt van een fluwelen handschoen en een grote liefde voor het medium waarin hij vrijwel altijd een belangrijke rol weglegde voor de mens en intermenselijke relaties. Ascenseur pour L’echafaud is ongetwijfeld een van zijn donkerste maar ook meest stijlvolle films geworden.
Met Ascenseur pour l’échafaud stond Malle op een soort breukvlak tussen de film noir en de opkomende Nouvelle Vague. Een belangrijke rol was weggelegd voor cameraman Henri Decae, die in de portrettering van Jeanne Moreau op gewaagde maar effectieve wijze te werk ging. In soms minimaal belichte shots toonde hij haar haast op onflatteuze wijze maar met een krachtig venijn in close-ups die haar schoonheid in combinatie met de duistere inslag van haar karakter benadrukte.
Malle koos ervoor om Moreau ook zonder al teveel make-up op naturelle manier te tonen. Dat bracht de technici die de film moesten ontwikkelen tot wanhoop. Ze dachten dat er iets mis was en weigerden de film te ontwikkelen omdat Moreau er wel zo erg onflatteus uitkwam. Maar het was juist deze ongebruikelijke aanpak in belichting en cameravoering die de vertolking van Moreau ondersteunde en haar karakter een mysterieuze ondoorgrondelijkheid meegaf.
In Ascenseur pour l’échafaud is ook een belangrijke rol weggelegd voor de begeleidende soundtrack. Jazz musicus Miles Davis improviseerde met een kwartet van Franse musici in een paar uur een bijzonder stemmige en zwoele score bij elkaar die nog steeds als een hoogtepunt geldt van de soundtrackgeschiedenis. Het verhaal gaat dat hij tussen de opnames van iedere improvisatie champagne dronk met Jeanne Moreau en Louis Malle. Dat de soundtrack van Davis dan ook zeer goed te beluisteren in de late avonduren zal geen toeval zijn.
Constant Hoogenbosch
©Movie Machine 2011











